Stichting De Zeeuws-Vlaamse Vlag
.
Zeeuws-Vlaams Volkslied

1. Waar eens het gekrijs der meeuwen verstierf aan 't eenzaam strand, daar schiepen zich de Zeeuwen uit schor en slik hun land. En kwam de stormwind woeden, hen dreigend met verderf, dan keerden zij de vloeden van 't pas gewonnen erf. Refrein:

2. Waar eens de zee├źn braken met donderend gedruisch, Daar glimmen nu de daken en lispelt bladgesuis. Daar trekt de ploeg de voren, daar klinkt de zicht in 't graan, daar ziet men 't Zeeuwsche koren, het allerschoonste staan. Refrein:

3. Daar klappen rappe tongen den ganschen lieven dag, daar klinkt uit frisse longen gejok en gulle lach. Daar klinkt de echte landstaal, geleerd uit moeders mond, eenvoudig zonder omhaal, goed Zeeuwsch en dus goed rond. Refrein:

4. Daar werd de oude zede getrouwelijk bewaard, en 't huis in dorp en steden, bleef zuiver Zeeuwsch van aard. Daar leeft men zoo eendrachtig en vrij van droef krakeel, daar dankt men God almachtig voor 't toegemeten deel. Refrein:

5. De worstelstrijd met Spanje bracht ons het hoogste goed, De vrijheid door Oranje, betaald met hartebloed. Dat goed gaat nooit verloren, de Nederlandsche vlag zal wapperen van de toren tot op den jongsten dag.


Refrein:

Van d'Ee tot Hontenisse, van Hulst tot aan Cadsand, dat is ons eigen landje maar deel van Nederland.




Geschreven in 1917 door: ds. J.N. Pattist & J. Vreeken muziek: A. Lijssen
.